Bourtange

Gelegen op de best begaanbare ‘tange’ (zandrug) door het Bourtanger Moor, lag Bourtange op de voornaamste route die het vroegere Stad & Lande en het Nedersticht Munster met elkaar verbond. De oude heerweg over “de Boerentange” werd al vermeld in het Westerwoldse Landrecht van 1470, maar is – gezien de natuurlijke gesteldheid – eeuwen ouder. Lange tijd ongehinderd passabel, dreigde de heerweg in 1530 gedurende de Gelderse Oorlogen voor het eerst op deze plek met een blokhuis te worden vergrendeld. Na de verdrijving van de Geldersen door de troepen van keizer Karel V in 1536, werd Westerwolde van Westfalen afgesneden en kwam de grens te liggen “Op Staine”, vlak bij het latere Abeltjeshuis.

Het verloop van de oorlog tegen Spanje – die in 1568 in Westerwolde met de inname van het Huis te Wedde was begonnen – werd bepalend voor het ontstaan van de vesting. Het “Verraad van Rennenberg” in 1580 was voor prins Willem van Oranje-Nassau aanleiding om alle verbindingsroutes van de belangrijke en sterke stad Groningen af te sluiten. Edelman en geuzenleider Diederik van Sonoy kreeg in hetzelfde jaar de opdracht om de heerweg over “de Boerentange” af te sluiten met een schans. De aanleg, naar het pentagonale ontwerp van de bekende vestingontwerper Adriaen Antonisz. (stamvader van het beroemde landmetersgeslacht Metius), werd pas dertien jaar later in 1593 voltooid. Opdrachtgever was toen Oranjes neef graaf Willem Lodewijk van Nassau, die Westerwolde in datzelfde jaar tijdens de “Groninger schansenkrijg” had veroverd namens de Staten-Generaal.

De verdere strijd tegen Spanje gaf impulsen voor de uitbouw en versterking van de oorspronkelijke vijfhoekige schans. Zo waren de veldtochten van Ambrogio Spinola in Twente in 1605 en 1606 aanleiding om Bourtange uit te breiden met een kroonwerk (‘Schuitendiep’), twee ravelijnen en een contrescarp (voltooid in 1607). Toen het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) ten einde liep werd in 1619 de hoofdwal ingrijpend vergroot en verstevigd. In de jaren daarna werd het kroonwerk nog eens uitgebreid met twee hoornwerken, waarmee de vesting vóór het einde van de Tachtigjarige Oorlog was afgerond. In 1649, een jaar na de Vrede van Munster, nam de Amsterdamse cartograaf en uitgever Joan Blaeu de schans in deze vorm op in zijn Toonneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden. De kracht en de uitstraling van de vesting bleek tijdens de twee Munsterse Oorlogen van 1665 en 1672, toen de troepen van prinsbisschop Christopf Bernhard van Galen een aanval niet aandurfden en de vesting uit de weg gingen.

Uit een verslag van ingenieur Jan van Alberdingh naar aanleiding van een bezoek van stadhouder prins Willem III aan de Westerwoldse schansen in 1681, bleek dat de verdroging van het Bourtanger Moor een steeds groter probleem werd. In 1701 ontwierp de bekende vestingbouwer Menno baron van Coehoorn een plan om de vesting met een ‘Natte Horizon’ uit te breiden en te versterken. Dit plan kwam niet tot uitvoering en de regenten van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk kozen na de dood van Willem III in 1702 voor de goedkopere diplomatie. Toch noopten de dreigende Pruisische annexatie van het graafschap Oost-Friesland en het zwalkende beleid van de Keulse keurvorst Clemens August van Beieren (tevens prinsbisschop van Munster) tot maatregelen. Alsnog werd Coehoorns ontwerp voor een ‘Natte Horizon’ ter hand genomen, in 1737 enigszins aangepast uitgevoerd door ingenieur Pieter de la Rive en in 1742 tot voltooiing gebracht.

Door de voortschrijdende verdroging van het Bourtanger Moor en de ontwikkeling van nieuwe geschuttechnieken werd het Westerwoldse schansen- en leidijkenstelsel steeds zwakker. Nadat de Republiek in 1795 ten val was gebracht door het Franse revolutionaire leger, werd Pruisen een grotere bedreiging voor de Bataafse machthebbers. Om daarop in te spelen werd in 1796 ten oosten van de vesting onder leiding van de patriotse ingenieur Hermanus van Hooff de Linie Abeltjeshuis aangelegd (retranchement). Na de verdrijving van de Fransen en de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden presenteerde inspecteur-generaal Cornelis baron Krayenhoff in 1817 een voorstel om de ‘Oostelijke Frontier’ – waaronder Bourtange – ingrijpend te verbeteren. In 1819 werden deze plannen uitgewerkt, maar koning Willem I besloot het jaar daarop om de uiterst kostbare projecten niet in uitvoering te brengen. Het garnizoen werd in de jaren daarna steeds verder afgeslankt (in 1835 tot slechts enkele manschappen) totdat koning Willem III op 9 december 1850 op Het Loo het besluit ondertekende om de vesting formeel op te heffen.

In 1851 werd Bourtange overgeheveld naar Domeinen en werden de militaire functies in de jaren daarna opgeheven. Vanaf 1856 werden plannen gemaakt voor een nieuwe ‘kunstweg’ vanaf de Hongerige Wolf naar de Hannoverse grens. Het Marktplein en de vestingwerken werden daartoe in 1859 overgedragen aan de gemeente Vlagtwedde. De vestingwerken bleven ondanks verwaarlozing aanvankelijk grotendeels intact, maar de uiteindelijke aanleg van de weg in 1867 bespoedigde het proces van publieke verkoop en ontmanteling. Langzaam verdwenen de meeste vestingwerken en ontwikkelde Bourtange zich tot een klein agrarisch dorp aan de Rijksgrens met een bescheiden handelsfunctie voor de omgeving. Dit proces van verstilling duurde tot ver na de oorlog, toen in 1964 het plan werd opgevat om de eens zo indrukwekkende vestingwerken van de voormalige frontierstad weer te herstellen op grond van de oorspronkelijke plannen. De bewaard gebleven radiaire structuur van het dorp, enkele monumentale panden, restanten van de vroegere vestingwerken en de rijke historische documentatie gaven daarvoor uitstekende uitgangspunten. Tegenwoordig ligt de vesting er voor een groot deel weer net zo bij als in 1742, toen de beroemde uitgeverij Covens & Mortier te Amsterdam de fraaie kopergravure van de vesting maakte.

Opnieuw maakt de reiziger halt in Bourtange, maar nu om een indruk te krijgen van een pronkjuweel van het Oud- en Nieuw-Nederlandse vestingstelsel in ons land. De oude heerweg door de vesting fungeert voor Cultuurhistorisch Bureau Siste Viator als een metafoor voor de samenhang van de route(s), de historische tijdperken en de territoria waar het bureau zich op richt: Groningerland, Westfalen en Oost-Friesland.