Majoorslogement

Cultuurhistorisch Bureau Siste Viator is gevestigd in het historische Majoorslogement aan het Marktplein van Bourtange. Het fraaie en karakteristieke pand is vanaf het begin van de vesting tot aan het vertrek van de laatste militairen in 1851 permanent in gebruik geweest als officierswoning. Al enkele jaren na de vestiging van het ‘staande’ garnizoen in 1593 kreeg de majoor een ambtswoning tot zijn beschikking. De eerste bekende majoor die in de archieven opduikt was Jetse IJges, die van 1598 tot 1599 in Bourtange was gestationeerd. In 1614 vonden ‘reparatien van des Maiors Logement’ plaats waarbij het bestaande pand grotendeels opnieuw werd opgetrokken uit gele steen en werd voorzien van een nieuwe kap met rode dakpannen.

Een volgende renovatie vond waarschijnlijk in 1647 plaats, aangezien de muurankers in de voorgevel van dat jaartal zijn voorzien. In 1676 werden op verzoek van majoor Dirck Everts ter Veer een nieuwe ‘spijscamer’ en een stalling gebouwd, een jaar later gevolgd door een houten ‘camertjen’ tegen de achtergevel. Volgens een verbaal uit 1692 kreeg majoor Jan Velthuijs toestemming voor een ‘nieuwe vloer van dubbelde flapperts in ’t kalk wel vastgelegd’. Daarnaast kwam ‘in de kamer naast het eetzaal een ledecant van eijcken hout’ dat met stof werd behangen; een bijzondere illustratie van de wooncultuur van de uit de hogere kringen afkomstige officieren van die tijd.

Ook uit de 18e eeuwse verbalen blijkt dat naar aanleiding van de jaarlijkse inspecties, of op verzoek van de bewoners, in de loop der jaren telkens verbeteringen of renovaties zijn uitgevoerd aan het Majoorslogement. Zo werd bijvoorbeeld in 1704 de lekkende kelder hersteld en voorzien van een ‘goet Sementband’. De plattegrond van het pand werd in 1749 opgenomen in de atlas van Scherlenski en Engelhart. In 1752 werd op verzoek van majoor Lambertus Grimmius de grote, oude schoorsteen vervangen door een ‘kleine Engelse’, de bedsteden vergroot, een ‘spijskamertje’ getimmerd en de gang van een trap voorzien. Uit het verbaal van 1779 blijkt dat het Majoorslogement tijdelijk werd bewoond door de nieuwe vestingpredikant – ds. Theodorus H. Antonides – in afwachting van het beschikbaar komen van het Pastoorslogement. Eind 18e eeuw werd het pand bewoond door François Hendrik Burghgraef, de laatste majoor van het Staatse garnizoen in Bourtange. In 1795 werd het pand zwaar beschadigd tijdens de chaotische terugtocht van Engelse troepen tijdens de invasie van het Franse revolutionaire leger.

Enkele jaren later, in 1801, onderging het pand een grondige verbouwing, waarbij o.a. een nieuwe voorgevel met ramen in laat-achttiende eeuwse stijl werd aangebracht. Ook de neoclassicistische voordeur, met een omlijsting in de vorm van een uitgerold Ionisch kapiteel en een cymatium of eierlijst onder het bovenlicht, stamt waarschijnlijk uit die tijd. In 1834 werd het huis in opdracht van het Domein van Oorlog opnieuw opgemeten en ingetekend. Een vergelijking met de plattegrond van 1749 laat de verschillen zien, maar ook dat het grondpatroon van het huis altijd intact is gebleven.

Na de definitieve opheffing van de vesting in 1850 werden de vestingwerken in de jaren daarna ontmanteld en de gebouwen publiekelijk verkocht. Ook het Majoorslogement kwam in particuliere handen en kreeg een woon-werkfunctie. Nadat het pand in 1913 wit was gepleisterd, nam de bouwkundige staat van het huis langzamerhand af en dreigde het teloor te gaan. Gelukkig werd het cultuurhistorisch belang van het pittoreske pand al vroeg ingezien en toonde de Vereniging Hendrick de Keyser te Amsterdam kort na de oorlog belangstelling voor overname. Toch bleef het huis in particuliere handen en kon in 1949 met subsidies een restauratieplan worden opgesteld en een jaar later worden uitgevoerd. In 1971 werd het Majoorslogement op de lijst van Rijksmonumenten geplaatst onder het registernummer 37442.